October, 2011

Waarom twintigers niet kunnen plannen en leidinggeven


Studenten kunnen slecht plannen en jonge werknemers beter niet thuiswerken. Dat zeggen hersendeskundigen na recent onderzoek. Hersenen veranderen nog tot ver na het twintigste levensjaar.


Soms botsen de twee expertises van Dick Kraaij, gepromoveerd neurobioloog én hbo-docent techniek. Zelf geeft hij met plezier les op de Christelijke Hogeschool Ede. Maar hij  heeft ook vaak scholen bezocht waar naar zijn mening te weinig rekening werd gehouden met de manier waarop de hersenen van jonge mensen zich ontwikkelen.

‘De nadruk lag daar in het eerste jaar al op zelfstandig werken. Studenten kregen nauwelijks begeleiding', zegt Kraaij. ‘Vanuit mijn achtergrond als neurobioloog kon ik daar niet achter staan. De hersenen van achttienjarige mensen zijn simpelweg nog niet klaar om zo veel eigen verantwoordelijkheid te nemen. Het gedeelte van het brein dat is betrokken bij taken zoals planning, zelfbeheersing en vooruit denken ontwikkelt zich nog sterk tussen het achttiende en vierentwintigste levensjaar. Het is niet voor niets dat het studiehuis op middelbare scholen een mislukking is geworden.'

De mening van Kraaij is gestoeld op relatief nieuwe wetenschappelijke inzichten. Lang gingen wetenschappers ervan uit dat ons brein na de puberteit ophoudt met groeien, net als de rest van het menselijk lichaam. Maar in de laatste jaren is duidelijk geworden dat er tot ver na het twintigste levensjaar structurele veranderingen plaatsvinden in de hersenen.

De meest recente resultaten komen uit een laboratorium in Canada. Neurowetenschappers aan de Universiteit van Alberta maakten hersenscans van 103 proefpersonen in de leeftijd van 5 tot 35 jaar. Het brein van elke deelnemer aan het onderzoek werd ten minste op twee momenten (met tussenpozen van enkele jaren) gescand, zodat er verschillen konden worden waargenomen. Uit de hersenfoto's bleek dat vooral de structuur van witte hersenstof bij mensen van boven de twintig tot vierentwintig jaar nog aan verandering onderhevig was. De dichtheid van de verbindingen werd groter naarmate ze ouder werden.

Ontwikkeling van je brein
‘Witte hersenstof kun je zien als de bedrading van het brein', verklaarde hoofdonderzoekster Catherine Lebel afgelopen maand bij de publicatie van de onderzoeksresultaten in het wetenschappelijk tijdschrift Journal of Neuroscience. ‘Het zijn de vezels die de zenuwcellen van verschillende hersengebieden met elkaar verbinden. Deze connecties zitten vooral aan de binnenkant van het brein en worden bij jonge volwassenen nog langzaam sterker.'

Naast witte stof bevat het brein ook zogenaamde grijze stof. Deze zenuwcellen bevinden zich meer aan de buitenkant van het brein en zijn belast met de informatieverwerking.

Globaal kan de ontwikkeling van het brein vanaf de geboorte worden opgedeeld in twee verschillende processen. De eerste is synaptogenese: het ontstaan van kleine spleetjes, oftewel synapsen in de verbindingen tussen zenuwcellen. Via deze spleetjes worden signalen overgedragen tussen de cellen. Hoe meer synapsen er worden gevormd, hoe meer hersenverbindingen er ontstaan. Het toppunt wordt al bereikt in het derde levensjaar als het menselijk brein vijftienduizend synapsen per cel bevat.

Later in de jeugd en in de puberteit begint er in de hersenen een tegenovergesteld proces, genaamd pruning. Hierbij worden eerder gevormde verbindingen weer ongedaan gemaakt. Vooral verbindingen die niet of nauwelijks worden gebruikt verdwijnen weer. Uiteindelijk wordt ongeveer de helft van alle synapsen ‘gesnoeid'.

Hogere cognitieve taken
Deze veranderingen in de hersenen vinden in de jeugd vooral plaats in primitieve delen van het brein die van pas komen bij zintuiglijke en motorische vaardigheden, zoals lopen, ruiken en proeven. Maar na de puberteit en zeker bij twintigers voltrekt de groei en snoei van de hersenen zich bijna uitsluitend in de prefrontale cortex, een gebied in de voorste hersenkwabben. Dit hersendeel is betrokken bij zogenaamde hogere cognitieve taken, zoals abstract denken, zelfbeheersing en plannen. Kortom: vaardigheden die goed van pas komen bij studie en werk.

Volgens hoogleraar klinische neuropsychologie Margriet Sitskoorn van de Universiteit van Tilburg valt met deze wetenschap winst te boeken in het onderwijs en bedrijfsleven. Het onderzoek van Sitskoorn spitst zich toe op de relatie tussen hersenen, gedrag en omgeving. Ze is ook auteur van de bestseller Het maakbare brein.

‘Als je mensen wilt opleiden of beoordelen, helpt het om daarbij rekening te houden met het tempo waarin de hersenen volwassen worden', verklaart ze. ‘De ontwikkeling van de voorste hersenschors bij twintigers is niet alleen belangrijk voor zelfbeheersing, maar ook voor delegeren en het tonen van leiderschap. Het is niet zo dat deze vaardigheden er meteen zijn als de prefrontale cortex volgroeid is. Het hersengebied moet eerst gestimuleerd worden, je moet op het goede moment aan de juiste taken en informatie worden blootgesteld. Daarom is het belangrijk jonge mensen van begin twintig de kans te geven om leiderschap langzaam te ontwikkelen. Eerder heeft het weinig zin ze op dit soort vaardigheden te trainen.'

Nog niet toe aan het 'nieuwe werken'
Ook het ‘nieuwe werken' is iets waar jonge werknemers volgens Sitskoorn vaak nog niet volledig aan toe zijn. ‘Als je veel vanuit huis werkt, heb je veel verantwoordelijkheid en moet je zelf alles plannen. Ook die vaardigheid wordt gecoördineerd vanuit de voorste hersenschors.'

Dick Kraaij is niet meer actief als wetenschapper, maar doet wel zijn best om nieuwe wetenschappelijke kennis over de hersenen te implementeren in het onderwijs. Hij schreef twee boeken over de hersenontwikkeling van kinderen en geeft lezingen op scholen. Hij is van mening dat alle studenten aan lerarenopleidingen een inleiding in de neurologie zouden moeten volgen.

‘Kennis over het brein is erg belangrijk om jongeren op de juiste manier te stimuleren in het onderwijs, bijvoorbeeld bij het maken van de juiste keuze voor een beroepsrichting, zegt hij. ‘In Nederland moeten scholieren op vijftienjarige leeftijd bijvoorbeeld al bepalen welke vakken ze laten vallen. Maar op die leeftijd ben je nog helemaal niet bezig met afwegingen op lange termijn, gedeeltelijk omdat het op planning gerichte deel van je hersenen nog niet volledig is ontwikkeld. Scholieren zijn daarom vaak geneigd om vakken te kiezen, omdat ze de leraar leuk vinden of omdat het makkelijk is. Het is belangrijk dat een leraar dit beseft en de leerling indien nodig overtuigt dat het beter is om een ander vak te kiezen, omdat het van pas komt bij een beroep dat hij of zij wil uitoefenen.'

Het liefste zou Kraaij zien dat de doelstellingen in het onderwijs verschuiven van wat hij zelf noemt ‘kennisreproductie' naar ‘het vergaren van kennis als gereedschap'. ‘Voor alle informatie die je opslaat in je jeugd geldt dat het verdwijnt als je het niet gebruikt', zegt hij. ‘Dat komt door de pruningfase in de ontwikkeling van de hersenen waarbij veel verbindingen worden geschrapt. Het is dus maar de vraag of het zin heeft allerlei historische feitjes te leren op school. Beter is waarschijnlijk kinderen lesstof te geven die ze in het dagelijks leven echt gebruiken, zoals een techniekles bijvoorbeeld. Op die manier worden ze meer zelfredzaam en geef je hun het gereedschap om meer kennis te vergaren als de groei van hun brein is voltooid.'

Margriet Sitskoorn benadrukt dat de ontwikkeling van het brein nooit helemaal stopt. ‘Ook bij volwassenen worden er incidenteel nog nieuwe hersencellen en hersenverbindingen aangemaakt. Dit weten we pas sinds enkele jaren. Waarschijnlijk worden deze processen ontketend door het opdoen van nieuwe ervaringen en de vorming van herinneringen. In zekere zin is de ontwikkeling van het menselijk brein dus nooit helemaal voltooid.'

Bron: Intermediair